Een leeuwerik kunnen we herkennen aan zijn gezang en een slak aan zijn slakkengang. Zo heeft ieder schepsel specifieke kenmerken. Dat noemen we karakter, of eigenschappen. Ik ben mij lang geleden af gaan vragen wie ik in de kern ben en wil mijn ware zijn volledig tot wasdom laten komen. Dagelijks krijg ik mijn lessen.

Uhhh, ware zijn? Waar hebben we het over? Nou, natuurlijk hebben we genen. Erfelijk materiaal wat deels bepaalt wie je bent. Een ander, groot deel, heeft zijn wortels in uiterlijke factoren. Ietwat oneerbiedig zou je kunnen zeggen dat je het product bent van wat is opgebouwd uit genen en uit in het verleden gelegen omstandigheden, gebeurtenissen en culturele omgeving. Op grof niveau is dit zo en als je niet de moeite neemt om jezelf te onderzoeken dan leef je je leven volgens dit concept. Voor sommigen prima, maar voor mij voelde het dat er iets niet helemaal klopte. Er ontbrak iets. Ik ging kijken wie ik nog meer ben dan het resultaat van de inprentingen uit het verleden die mijn systeem domineerden. Zoals gevoelens van minderwaardigheid die niet voldoende zijn meegegroeid in de volwassenheid. Iets kan volledig onnodig blijven steken en functioneren en potentiele kwaliteiten belemmeren. Zoals het verhaal hieronder beschrijft wat door Ramakrishna (een Hindoe mysticus) vaak is verteld.

Vlak na de geboorte van een tijger welpje, laten we hem Bas noemen, stierf de moeder. Bas werd door een kudde schapen gevonden die hem adopteerden. Bas graasde lekker mee met de overige schapen. Hij taalde niet naar vlees en had geen notie van specifieke tijgereigenschappen. Op een dag liep een oude tijger langs de kudde schapen en zag met verbazing zijn jonge soortgenoot grazen en zich gedragen als een schaap. Hij rende op Bas af en greep hem bij zijn nekvel terwijl de kudde schapen alle kanten opvloog. Bas stribbelde tevergeefs tegen. De oude tijger nam Bas mee naar een meer en dwong hem in het rustige water te kijken. Bas keek door zijn tranen heen naar het water dat als een spiegel was. Het beeld riep herkenning in hem op. Alsof hij iets van een oude kernachtige identiteit zag.


Maar er gebeurde meer. De oude tijger sleurde Bas mee naar zijn hol waar Bas gedwongen werd om vlees te eten. Ook hier verweerde Bas zich tegen, maar de oude tijger bleef hem dwingen. Plots voelde hij dat hij grote snijtanden had. En langzaam voelde hij iets vertrouwds in het eten van dat vlees. Hij scheurde met zijn tanden een stuk van het vlees af, maakte zich groot en gaf een brul. Hij verbaasde hiermee zichzelf maar het gaf hem enorm veel vreugde. Bas had zijn ware tijgeraard gevonden.

Ooit was ik onbewust aangepast. Ik wist niet beter. Maar ik moet zeggen dat ik steeds meer zing zoals ik gebekt ben. En dat geeft zo veel vreugde en kracht. Maar soms, heel soms, plaats ik mijzelf weer terug in het hokje van onzekerheid, maar ik laat altijd de deur open. Niet meer gevangen.

Hartelijke groet,
Rikkie Postema